|
Pagina 6 van 8
Een woordje over binnenberen.
Dit zijn beren, of varkens van het mannelijke geslacht, met één of beide inwendige teelballen die niet (of later pas) indalen naar het uitwendige balzakje.
Ook hier in Nederland en ook bij de Kune Kune beren komt dit fenomeen wel vaker voor. In sommige varkensfokbedrijven kunnen veel binnenberen voorkomen. Vroeger had men hier minder last van. Nu bestaat de indruk dat verschillende zeugen telkens weer enkele beertjes met één teelbal werpen. Die zijn dan op zich niet onvruchtbaar, maar ze zijn evenmin geschikt voor fokdoeleinden, omdat dit gegeven zich doorvererft. Bij uitwendige castratie kan dan in het beste geval slechts één teelbal geamputeerd worden en blijft de tweede inwendig zitten. Tussen haakjes: in de vleesverwerkende industrie is het zo dat minder geld gegeven wordt voor halfgecastreerde beren, omdat het van invloed blijft op de smaak en de kwaliteit van het vlees.
Wanneer uw zeug een binnenbeertje werpt, is het ten eerste aangewezen om deze beer niet intact te laten voor verdere voortplanting. Bij castratie zal het niet volstaan om onder lokale verdoving even de kleine uitwendige ingreep te plegen.
De vragen die hieromtrent gesteld kunnen worden, zijn bijvoorbeeld of er iets aan de zeug gedaan kan worden opdat ze geen binnenbeertjes werpt, of, hoe moet men deze beertjes castreren?
Het antwoord daarop luidt dat er bij zeugen geen behandelingen bekend zijn om dit euvel te vermijden, omdat het een erfelijkheidsfactor betreft. Wat dergelijke castratie betreft, zal uw veearts de big onder volledige narcose opereren en ook het/(de) inwendige teelballetje(s) weghalen.
Men vermoedt dat dit fenomeen voortkomt uit het binnenhalen van geïmporteerd fokmateriaal met het doel het ras te verbeteren, waarbij niet alleen de betere eigenschappen worden binnengehaald maar ook de genetische afwijkingen, zoals dus binnenbeerschap, breuken, dichtzittende anusjes en/of kweenen (dit zijn biggen met kenmerken van tweeslachtigheid). Koopt men een beer, die één van deze erfelijke factoren in zich draagt, dan zullen vrij zeker in de eerste ronde geen afwijkingen voorkomen. Uiteraard gaat men met deze geïmporteerde intacte beren doorfokken. Dan ligt het voor de hand dat er spoedig familieteelt op een smalle basis wordt bedreven. In latere stadia pas zullen de niet gewenste eigenschappen naar voren komen, alsook wel de goede gewenste eigenschappen uiteraard.
Uit een onderzoek in Kenya bleek dat, van een welbepaalde beer, van de 108 mannelijke nakomelingen er 9 binnenbeertjes bijwaren; dat is zo'n 7,5% kans op binnenbeerschap. Toen men de dochters terug met dezelfde beer paarde, was het resultaat 1 op 2, of 50% binnenbeertjes. De schuld van dergelijke ontsporing ligt hem in het stamboekbeheer. Een stamboek is een vereniging van fokkers van varkens in het algemeen. Het stamboek registreert en het ligt voor de hand dat fokkers, die een leidende functie in de stamboeken hebben, bij voorkeur alleen de goede eigenschappen registreren. De minder goede eigenschappen, die niet in de puntenbeoordeling en de productie worden opgenomen, komen niet op papier. Kunnen we deze fout dan aan de stamboeken toeschrijven? Naar ons inziens niet, maar wel een fout van opzet bij de grootschalige fokkerij van tegenwoordig, die te weinig aan efficiëntie doet en te veel is ingesteld op de tijden toen de stamboeken in opkomst waren. Een goed gericht stamboekwezen, zoals wij hier onze uiterste best voor doen, moet meteen overgaan tot het eveneens administreren van erfelijke gebreken, in dit geval van bvb. binnenberen, breuken, e.d. om op termijn deze erfelijke factoren systhematisch weg te fokken.
Aan de zeugen kunt u dus niets doen, maar het is fokkers ten zeerste aan te raden om een zorgvuldige interne administratie bij te houden om zeugen, die dergelijke erfelijke afwijkingen voortbrengen, van de fokkerij uit te sluiten.
In de hobbyhouderij is het aan te bevelen om binnenbeertjes op jonge leeftijd onder algehele narcose te laten opereren om het/de inwendig vastzittende teelballetje(s) eveneens weg te laten halen; eventueel tegelijkertijd met het al dan niet wel ingedaalde teelballetje. Zoniet, zal het beertje hoogst waarschijnlijk onvruchtbaar worden op de termijn, omdat een te warme binnenteelbal geen goede zaadzellen produceert, maar de beer zal weliswaar toch een berenkarakter met alle typische daarbij horende gedragingen ontwikkelen, vanwege het feit dat de hormonenwerking wel blijft functioneren indien beide balletjes niet geamputeerd worden.
|