Fokken
Artikel index
Fokken
Fokbeleid
Onvruchtbaarheid
Biggen werpen
Intacte Beren
Binnenberen
Castratie
Handmatig opfokken

Disclaimer

© Copyright website KuneKune Vereniging Nederland.

Fokken v. Kunekune biggen
Danique in de stal 

Beren zijn geslachtsrijp vanaf een maand of acht, alhoewel zij niet volledig vruchtbaar zijn voor hun 12de maand. Ze ontwikkelen hun secundaire berenkarakteristieken niet voordat ze zo’n 18 maanden oud zijn. We hebben het dan over hun dikke beschermschild dat groeit ter hoogte van hun schouders en over de langer wordende slagtanden. Een zeug daarentegen kan al op jongere leeftijd volwassen zijn. Toch is het niet aan te raden om te paren voordat de zeug de minimale leeftijd van 10 maanden heeft bereikt.

Wanneer de zeug berig wordt, treedt er meestal een zwelling op van haar vulva en merk je een verandering in haar humeur. Het is niet altijd betrouwbaar om een zeug te testen op het geschikte paringsmoment d.m.v. druk op haar rug uit te oefenen en vervolgens te kijken of ze zich in positie zet voor de paring, want sommige Kunekunes zullen onverstoord stil blijven staan, afgezien van het feit of ze wel of niet berig zijn. De duur dat een zeug berig is, bedraagt tussen de 8 en 48 uren en herhaalt zich gewoonlijk om de 18 tot 22 dagen, totdat een zwangerschap is ingetreden.
Zwanger Peervormige buik 
De zwangerschap op zich duurt ongeveer 116 dagen bij Kunekunes. Dit zijn omgerekend zo’n 3 maanden, 3 weken en 3 dagen. Verhuis de zeug naar haar werpplaats of –stal tenminste 1 week voordat de biggen verwacht worden. Dit is ook het uitgelezen moment om de zeug te ontwormen (vóór ’t werpen dus). Een paar uur voordat ze gaat werpen, zal de zeug een nest beginnen te bouwen met materiaal dat ze verzamelt. Zorg ervoor dat er ruimschoots voldoende nestmateriaal beschikbaar is, zoals bvb. vlasstrooisel, houtkrullen, stro ,hooi of wollen vezels (wol heeft het voordeel in de winter dat het de biggen warm houdt en het zal niet snel rotten in geval het vochtig of modderig wordt). Het gebruik van een warmtelamp boven de toom draagt bij tot de overlevingskans van de biggen.

 

 Sophie's biggen a h zogen

 1ste dag buiten met mama. 


Kunekune zeugen zijn doorgaans uitstekende moeders en vertonen zelden problemen bij het werpen. Uiterst zeldzaam vallen ze hun biggen aan. Het verpletteren van hun biggen komt wel eens voor, vooral als de zeug te plomp is, mogelijks veroorzaakt door overgewicht en daardoor niet opstaat als ze haar biggen onderin hoort piepen. Overigens is het een goed idee om een plank(je) onderin hun doorgang te monteren, om te voorkomen dat de biggen weg lopen. Dit gedurende een eerste drietal dagen. Dit plankje mag niet te hoog zijn. Het plankje mag de zeug namelijk de doorgang niet bemoeilijken met haar uitgezakte uier. Wees ook voorzichtig met de diepte van het water in de drinktrog zodat de biggen er niet in kunnen verdrinken.

Het spenen van de biggen varieert per fokker. Ideaal is om te spenen op ’n leeftijd v. 8 tot 10 weken, zodra de zeug tekenen geeft de biggen af te stoten als ze willen komen drinken. Vanaf het moment dat de biggen gaan mee eten met de zeug kunt u kleine beetjes biggenkorrel (babybiggenbrok) aan ze geven, in een afzonderlijke ruimte, waar de zeug niet bij kan. Sommige fokkers zullen de biggen bij de zeug laten voor ’t gemak. Dan zullen de biggen vanzelf het zogen afwennen rond de leeftijd van een maand of vier.

Het is meestal raadzaam om de dagelijkse hoeveelheid voedsel voor de zeug te verminderen zodra de biggen gespeend zijn.  Zoniet zou ze te vet worden. Zeugen zullen gewoonlijk opnieuw berig worden binnen de week nadat de biggen gespeend zijn.

De gemiddelde toom bevat zo’n 6 tot 8 biggen, alhoewel ‘n eerste worp tot 12 biggen geen uitzondering is. Een worp van één of twee biggen is eerder zeldzaam, omdat de natuur er voor zorgt dat de zeug in zo’n geval de vrucht zelf resorbeert of een miskraam krijgt en daarna “opnieuw begint”.  Naarmate een zeug ouder wordt, kan de hoeveelheid biggen per worp kleiner worden. Zeugen kunnen blijven werpen  tot een leeftijd van ongeveer acht jaar. Door de dagelijkse hoeveelheid voer te verhogen bij de zeug (zo’n twee weken voordat ze gaat paren), kan dat een impuls geven aan de eierstokken, waardoor er meer biggen zouden geboren kunnen worden. Zeugen die bewezen hebben geen goeie moeders  te zijn, kunt u het beste niet meer laten dekken en dus niet meer mee fokken. Daarentegen zien we vaak genoeg dat de grootte van het toompje wordt beïnvloed door milieufactoren (zoals bvb. de kwaliteit/samenstelling v.h. voer en/of onvruchtbaarheid bij de beer), eerder dan een fout in de genetische opbouw van de zeug zelf.

Voor wat betreft de piri piri's (halskwastjes), daar valt wel het e.e.a. over te zeggen. Namelijk, het heeft te maken met de koppeling v.d. X- en de Y- chromosomen die zullen leiden tot het wel of niet hebben ervan. Of de nakomelingen wel of geen piri's hebben, hangt af van welke chromosomen zich in de eerste levensfase binden aan welke andere chromosomen.  De kans die je hebt op biggen met of zonder piri's is net zo onberekenbaar als de hoeveelheid mannelijke en vrouwelijke nakomelingen die tevoorschijn zullen komen.  In ieder nest zitten jongens en meisjes. En in ieder nest zitten biggen met en zonder piri's.
Piri's zijn een regressieve vorm van erfelijkheid. D.w.z. dat best één van beide ouderdieren ze best wel moet hebben om het voortbestaan ervan te garanderen.  Daarom is het van belang dat wél de beer ze heeft en niet zo noodzakerlijkerwijze ook de zeug, want de beer dekt meerdere zeugen en daarom is het interessanter dat hij ze zeker wel heeft.  Of de zeug ze dan ook of niet heeft, maakt niet meer uit voor de  hoeveelheid nakomelingen die ze wel zullen bezitten.  Gebruik je herhaaldelijk/constant twee ouderdieren zonder piri's dan zouden de piri's op den duur geleidelijk aan verdwijnen. Twee ouderdieren mét p.p.'s is uiteraard ok, maar zeug niet en beer wel, kan net zo goed. Ook zeug wel en beer niet kan. Beiden niet is ten zeerste af te raden.